De Noordzeecultuur

De Friezen bewoonden niet alleen het huidige Nederlandse Friesland, maar het koninkrijk waar Radboud over heerste had zijn grootste omvang van het Zwin tot de Weser. Helgoland behoorde ook tot het koninkrijk en men hoedde daar de heilige ossen die aan Wodan geofferd werden. De Friezen waren duidelijk een zeevarend volk. Dat bleek ook al wel toen Drusus in de Romeinse tijd schipbreuk dreigde te lijden boven de Friese kust, het de inwoners van de Waddeneilanden waren die hem te hulp schoten. Dit was op de terugtocht van een strafexpeditie van de Romeinen naar het gebied van de Chauken. De Friezen waren bondgenoten van de Romeinen en stonden niet direct onder hun gezag. Wel werden er belastingen geheven door de Romeinen en dat leidde af en toe tot opportunistische uitvallen, zo heeft de Friese bevolking o.a. een zekere Olennius, die blijkbaar te inhalig was, verdreven. Ook toen Julius Civilis, voorheen Claudius Civilis genoemd, in 69 zijn kans schoon zag zich te wreken op de Romeinen voor de terechtstelling van zijn broer door Nero, waren de Friezen er als de kippen bij een graantje mee te pikken in de oorlogsbuit. In het vierkeizerjaar 69 was met de val van Nero het Romeinse Rijk in chaos vervallen; keizers Galba en Otho volgden elkaar heel snel op, tot Vespasianus orde op zaken kwam stellen. Julius Civilis was niet zo attent dat hij merkte dat Vespasianus de touwtjes heel strak in handen zou houden. Aanvankelijk was hij een bondgenoot van Vespasianus maar hij zag alle Romeinen als zijn vijand, en had niet door dat het tij zich tegen hem keerde. Hoe dit uiteindelijk afliep weten we niet, omdat van het boek dat Tacitus hierover schreef niet het laatste deel tot ons is gekomen. Het boek eindigt nu dat de vredesonderhandelingen werden gevoerd op een brug die in het midden was vernield en de partijen ieder op hun kant zonder gevaar konden overleggen. Over de Friezen verder in dit verhaal geen woord, en eigenlijk ook niet meer gedurende de rest van de klassieke tijd.

Een paar eeuwen later, tijdens de Grote Volksverhuizing is er echter iets raars in Friesland gebeurd. De Friese dorpen raken ontvolkt en er komen van buitenaf nieuwe bewoners. Wie dat zijn en waar ze vandaan komen is raadselachtig. Volgens mij is het waarschijnlijk niet één specifieke stam of groep bewoners geweest maar verscheidene. De Waddenzee wordt gekenmerkt door eb en vloed. Er kan gesproken worden van een wegtrekken van de oorspronkelijke bevolking, de eb en het weer volstromen van de dorpen, wierden en terpen, de vloed. Onbeantwoord blijft dan de vraag waar deze mensen naar toe gingen, en vanwaar de nieuwelingen kwamen. De eerste vraag kan mogelijk beantwoord worden door het keramiek dat voorheen in Friesland voorkwam, dat daarna in de regio langs de Schelde gevonden wordt. De tweede vraag is moeilijker te beantwoorden. Angelen en Saksen uit Duitsland worden genoemd, evenals andere Germaanse stammen, en mensen uit wat we nu Denemarken zouden noemen. Voor een deel bleven zij niet in Friesland en hebben delen van de Britse eilanden gekoloniseerd. Hier komen we dan bij de Noordzeecultuur.

Wat er gebeurd is ten zuiden van de grote rivieren, in het door de Franken gedomineerde gebied, is door historische bronnen redelijk bekend. Maar wat gebeurde er in de vierde tot zevende eeuw in het Noorden rondom de Noordzee? Hierover zijn er geen geschreven bronnen. Bede komt pas in de achtste eeuw om zijn beroemde werk over de geschiedenis van de Britse eilanden te beschrijven van Julius Caesar tot ongeveer 730 AD. Hij beschrijft voornamelijk de abten van diverse kloosters en doet geen verslag van de diverse koninkrijkjes die rondom de Noordzee moeten hebben gelegen. Archeologen hebben natuurlijk wel wat gevonden en dat betreft voor een niet gering deel grafbijgiften en schatten. Hieruit blijkt dat er een zekere elite in die tijd aanwezig was, die door middel van giften onder hen liggende lagen van de bevolking tot zich trokken. De “koning” verzekerde zich door giften aan zijn direct onder hem dienende edelen, van hun steun. Regelrechte corruptie zouden we nu zeggen, maar toen lag dat duidelijk anders. Onze moderne maatstaven ten aanzien van goed bestuur in een democratisch bestel waren uiteraard niet van toepassing. Wie het zich kon veroorloven “kocht” zich loyaliteit. Via oorlogvoering, handel en diplomatieke overeenkomsten, zo denk ik, breidde men zijn kapitaal uit en zo ook zijn invloed. Het begon klein, een hoofdman en een paar getrouwen. Door handel en verkeer, men hief bijna zeker tol, was de macht van de heer in een gebiedje uit te breiden, ten koste van zijn buurman, die hetzelfde trachtte te doen. Conflicten zullen niet uitgebleven zijn, net zo min als omkoping en verraad aan de plaatselijke hoofdman. Een mechanisme dat overigens op vele andere plaatsen en in latere eeuwen ook voorkwam.

Op diverse plekken langs de Noordzeekust heeft men cultuur-analoge sieraden van goud en zilver gevonden. In Kent, langs onze kust in Domburg en wat meer het binnenland in, in Rhenen en langs de Elbe en Weser, heeft men spectaculaire vondsten gedaan van fibulae en goudschatten met een voor een Noordzeecultuur specifieke kenmerken. Maar ook met onderlinge verschillen. Ook zijn er sterke Scandinavische invloeden kenbaar. Men veronderstelt dat deze kleine koninkrijkjes, zo’n tiental op zijn hoogst, later zijn samengesmolten tot een half dozijn. In de achtste en negende eeuw zijn ze verdwenen, opgeslokt door het Britse koninkrijk Mercia en het koninkrijk van de Franken.

Helaas zijn er geen tastbare bewijzen van de aanwezigheid van Friese koningen. Het kasteel in Medemblik wordt weliswaar verbonden met naam van Radboud, maar is zeker van na zijn tijd en in de dertiende eeuw pas gebouwd als een dwangburcht. En deze was gebouwd door de Hollanders om de West-Friezen in bedwang te houden en niet om Friezen te beschermen. Gebouwen uit de tijd van de oude Friezen uit de vierde tot achtste eeuw zijn er niet, er zijn geen geschreven berichten door de Friezen zelf geschreven, archeologische vondsten zijn spaarzaam en dus het meeste zo niet alles wat ik hierboven geschreven heb is op zijn best een aannemelijke speculatie.

 

Nieuw Buinen, januari 2018, Gérard Versijp.